Begrijpend lezen. Wat doen wij?

Wat doen wij met begrijpend lezen? Hieronder het stappenplan wat wij hebben gekregen van Wiebren de Jong. Van hem hebben wij woensdagavond 11 maart cursus gehad. Begrijpend lezen is een vak op zich geworden in Nederland. Helemaal gek is het niet. Wat je leest moet je ook begrijpen. In Nederland wordt op de meeste scholen CITO gebruikt om begrijpend lezen te toetsen. Dat heeft voor een redelijke kramp gezorgd in het onderwijs. Het genieten van teksten is naar de achtergrond verdrongen. Wiebren brengt hier een andere manier van denken met zich mee. Hij neemt je stap voor stap mee in de tekst waardoor je het helemaal begrijpt. Je leert nieuwe woorden en doet algemene kennis op. Twee belangrijke punten om een tekst te snappen. Hieronder het stappenplan zoals wij dat gebruiken.

  1. De risicoleerlingen hebben de tekst vooraf gelezen. Mogelijkerwijs hebben deze leerlingen ook al met anderen en/ of leerkracht en/ of ouder(s) gesproken over de inhoud van de tekst.
  2. We hebben de tekst nog niet Vraag de leerlingen wat het onderwerp van de tekst van de vorige keer was. Het ging toen over een decibelgrens bij concerten. Hebben ze hierover nog iets gehoord, gelezen of gezien. Hebben ze over het onderwerp met hun ouders gesproken? Deze week lezen we over de Nationale Poepdag (= leesdoel). Zeg dat je benieuwd bent welk groepje straks een mooie mindmap over dit onderwerp kan maken (=lesdoel).
  3. We hebben de tekst nog niet Vraag de kinderen om in tweetallen of tafelgroepen te overleggen of ze tips hebben voor gezond poepen. Wanneer kun je dat het beste doen, hoe doe je dat het beste, wat zijn goede gebruiken rond het poepen? Of laat de kinderen even rondlopen en elkaar op ideeën brengen. Op die manier is iedereen actief en dat is nodig bij het activeren van voorkennis. Dan plenair. Maak een woordweb van woorden bij poepen/ stoelgang. Doe kort, niet iedereen krijgt een beurt.
  4. Deel de tekst uit: met de tekst op de tafel. Zeg ondertussen vlot de betekenis van bijv. uniek, frequentie, afwijken, aandrang, vezels en andere woorden die nodig zijn om de tekst te begrijpen en niet worden uitgelegd. Snel, vlot! Schrijf de moeilijke woorden vooraf in een hoekje van het bord en laat ze minimaal vandaan tweemaal terug komen. En morgenochtend, waarna de woorden plaats maken voor andere moeilijke of bijzondere woorden.
  5. De leerlingen keren hun tekst om. Lees de titel voor. Idem, de tussenkopjes. Vertel wat je op de plaatjes ziet. Vraag wat we in de tekst gaan lezen. Zet de eerste de beste voorspelling om in een leesvraag. En die mag best fout of ‘half’ zijn. Doe vlot, doe snel…’sla aan’ bij de eerste de beste voorspelling. De kinderen willen nu graag lezen!
  6. Laat de tekst lezen. Geef de kinderen een duidelijke opdracht mee. De opdracht die te maken heeft met hun voorspelling(en), dat is de leesvraag of -vragen: zie stap 5. Let op, de kinderen moeten gericht lezen, actief. Vergewis je ervan dat kinderen stil en geconcentreerd lezen. Reflecteer na afloop! Ga zelf ook zitten en lees!
  7. Laat samenvatten: op hoofdlijnen. Wie kan dat in een paar zinnen, vanuit de helikopter? Geef ook zelf een beknopte samenvatting en vergelijk die met de samenvatting van de kinderen.
  8. Kregen we antwoord op onze leesvraag? Kijk nog even naar de woorden die we vooraf in ons woordweb opschreven: zie punt 3. Doe niet lang, houd vaart! Stap 2 – 9 binnen 20 minuten?
  9. Lees samen de tekst voor een 2e Doe hardop denkend voor wat er bijvoorbeeld staat onder het kopje Gezonde poep staat (3de alinea). Of een ander tekstdeel. Maar eerst lezen de kinderen de bovenstaande intro en twee alinea’s voor.

Vertel wat je tussen de regels leest in de 3de alinea: wat roept de tekst bij je op? Waar moet je aan denken tijdens het lezen? Vertel de kinderen daarvan aan het eind van een zin of bij een komma. Doe dat al lezende….lees zoveel mogelijk gewoon door. Neem de verwijswoorden Dat, Zij mee. Verklaar al lezende lastige woorden, bijvoorbeeld ontlasting, structuur, frequentie, signaal, afwijken, stoelgang,….

Lees verder samen de tekst. Steeds een alinea. Kunnen de kinderen vertellen wat er tussen de regels staat? Laat ze verwijswoorden, signaalwoorden en lastige woorden meenemen. Begrijpen ze het stukje tekst? Veronderstel dat nooit! Praat over de tekst! Vraag bijv. wat poep is en waar dat in de tekst staat. Of waardoor je verstopt kun raken…hoe staat dat in de tekst.? Maak er vooral ook wereldoriëntatie van.

Kunnen de kinderen tekenen hoe je het beste kunt zitten tijdens het poepen? Dan plenaire uitwisseling.

  1. De kinderen maken in tweetallen de opdrachten. Zie ommezijde. Opdracht 1 is een moeilijke opdracht. De opdracht leidt op natuurlijke wijze tot differentiatie: verschillen in kwaliteit van de mindmap.
  2. Help de risicoleerlingen met opdracht 1.
  3. Terugkoppeling: bespreek enkele opdrachten.
  4. Bekijk het filmpje. Vraag de kinderen welke extra informatie het filmpje ons geeft. Wat wisten we nog niet en nu wel.